naarde welsprekendheid' - geen heertjes met holle strotten - en holle theorieën wellicht - erbij zitten grijnzen achter hun hand, geen duffe Langendijkjes haar tot professor Stuyfsand en een academische opleiding verwijzen... De Geest van de Tijd, hetzelfde Moment, dat haar tot het getuigenis van haar immanente waarheid had bereid en onweerhoudbaar gedrongen, had tegelijkertijd en krachtens hetzelfde, en tot eenzelfde oogmerk de tronen der Autoriteiten aan het wankelen gebracht en in de harten der anderen voor het oude, onwrikbare geloof aan bewezen 'feiten' en erkende 'waarheden' een levend nieuw vertrouwen gewekt in de uitkomsten van het machtige, het zelf-scheppende Begrip. De handhavers en aanhangers van de oude orde waren er nog wel, bij drommen waren ze er nog, maar zelf voelend dat hun tijd voorbij was en de onbeperkte heerschappij over de geesten hunner medemensen hun voorgoed ontnomen, dorsten ze tenminste niet meer zó hooghartig schetteren, honen en tergen, hadden ze reeds vele tonen lager leren zingen... Zó verschenen gelijktijdig en evenwijdig, tot eenzelfde bestemming, wat de oppervlakkige dan aanzag en verklaarde als 'oorzaak-en-gevolg' en de grootste maatschappij-bestormers, schoon ze in kinderlijke hoogmoed meenden hechte gebouwen te hebben gesloopt, deden welbeschouwd nooit iets anders dan het puin weghalen van wat door innerlijk bederf alreeds ruïne, het lijk begraven van wat aan verval-van-krachten gestorven was...
De klok sloeg half twaalf en weer zuchtte ze. Ze sloeg de ogen op en staarde voor zich uit onder het opgehaalde rolgordijn door de ruiten, bleek tegen bleke hemel, en ze zag de kale toppen van de populieren, in hun tuintje en dat van de achterburen, zacht wuiven in de stille, koude lucht. Het had met sneeuwen opgehouden, het kon eigenlijk zo koud niet zijn of ze zou het in dit onverwarmd vertrek, met haar dunne blouse en zo stil zittend, niet uitgehouden hebben; maar wel was het alles winters kleurloos en winters doods - kleurloos ondanks, ja bijkans juist door dat bleke zonnetje dat nu ineens de naakte twijgjes glimmeren deed, doods ondanks, ja bijkans juist door het schuchter als vreesachtig sjilpen van een vogeltje hier en een vogeltje daar... Neen, ze ging voor dat halfuurtje niet werken. Het zou een
141