Vierde hoofdstuk De kinderen
ik kan er dus stellig op rekenen?' vroeg Uhland nog eens, terwijl hij opstond en zijn jas toeknoopte, 'om de veertien dagen een artikel... en volle vrijheid om je eigen onderwerp te kiezen: dat is toch nog wel te doen!'
'Jawel... maar ik ben nu ook al aan Het Nieuwe Streven en de Tribune der Jongeren heeft mij juist verleden week nog weer gevraagd...'
'Dat groene goedje, die aapjes, die pas komen kijken? Maar daar hoor jij toch niet bij! Dat kun je niet doen. Neen, je moest je eigenlijk helemaal reserveren voor ons. Wij vragen alleen eersterangs-mensen, en we betalen goed. En iets ben je toch wel verschuldigd aan onze oude kennis...'
Uit de diepe stoel, waarin ze zat naast de haard, keek Marianne hem even aan; haar blik wilde hem herinneren aan die ontmoeting in de trein, zes jaar geleden, waarop geen andere meer was gevolgd dan dat ene bezoek, toen hij zijn aanstaande vrouw was komen voorstellen, en aankondigen dat hij trouwen en verhuizen ging, en dat zijn vrouw, weduwe en ex-lerares, van plan was jongens in huis te nemen, zodat hij zonder broodzorgen zich aan zijn werk kon blijven wijden... Zo was dan ook geschied en nu zat hij daar weer — minder onsmakelijk en onverzorgd - en beriep zich op 'de oude kennis'. Was hij dat vorige dan spoorloos vergeten, had het niets voor hem betekend, of klopte het volkomen op zijn gevoel van wat billijk en betamelijk was, dat hij haar destijds, toen ze 'er nog niet was', met geringschatting en spot had geknauwd, en vandaag, nu ze 'er was', haar kwam vragen aan een nieuw op te richten litterair-filoso-fisch weekblad mee te werken, haar naam te geven voor een prospectus, dat imponeren en lokken moest...
'Die Uhland...' lachte Harry, toen even later de ander vertrokken was. 'Die Uhland met zijn weekblad! Je zou zeggen,
135