'Het is nu kwart over zeven. Er zou, om kwart voor acht, een rijtuig komen. En als ik dan vooraf nog even een en ander inkijken wil, mag ik het nu wel doen.'
Hij was al overeind... ze zag ineens aan de uitdrukking van zijn gezicht, aan zijn blos, zijn ogen, die hij verlegen van haar hield afgekeerd, hoe hij zelfwas geschrokken van zijn eigen brutaliteit. Het scheen haar dat hij wilde vragen of ze er boos om was, maar het niet dorst.
'Tot straks dan, nietwaar?' zei hij timide, niet wetend of hij haar nu een hand mocht geven. Ze stak haar eigen hand uit - 'tot straks, mijnheer Ellenberger' - en even moest ze glimlachen, terwijl ze, hem nastarend, dacht: wat zou ik dat parmantige mannetje gauw klein kunnen krijgen!
134