mensen te stijven in hun onnozele, afschuwelijke ijdelheid, hun, vergeef mij het woord... hun misselijke aanmatiging... en dat allemaal met politieke oogmerken... dat noem ik zedenbederf... en zedenbederf van de ergste soort.'
De kelner, die kip en appelmoes bracht keek bevreemd om de plotselinge stilte, de uitdrukking der gezichten.
'Wilt u zich niet bedienen?' vroeg Van der Willigen na even zwijgen koel-beleefd, haar de schotel toeschuivend -, maar zijn mager gezicht was vuurrood en zijn hand beefde. Haar hart klopte. Niemand sprak. Meer woorden, meer redenen stegen haar naar de lippen, maar ze hield ze binnen. Kotting en Mijs keken Van der Willigen aan - Kotting met een uitdrukking van 'je laat het toch zeker niet op je zitten?' Mijs in gespannen afwachten — en hij, voelend dat hij nu antwoorden, weerleggen moest:
'U spreekt daar zo van de massa, de onwetende menigte, mevrouw Edema... Ik vind dat u zich tegenover uw medemensen wel wat héél erg op een standpunt plaatst... en ik zou u daarin niet graag willen volgen.'
Het was de toon van iemand die zelfs in woede de tradities en de regelen van een beschaafd twistgesprek niet vergeet -, maar Marianne lachte schamper.
'Ik heb laatst een nieuw toneelstuk van John Galsworthy gelezen... ik weet niet of u het kent: A bit oflove. Daar komt een moderne dominee in voor, een denker... iemand die tenminste beproeft de dingen door te denken... hij woont in een boerendorp, waar ze hem natuurlijk een "rare" vinden. Het eerste bedrijf is een catechisatie met tien, twaalf halfvolwassen boerenkinderen, meisjes... en een uur achter elkaar probeert hij dan, die schepseltjes uit te leggen, wat eigenlijk een "christen" is, wat ze onder dat woord behoren te verstaan. En als hij weg is, weet u wat ze dan zeggen? "Wat een gezeur," zeggen ze... "wat heeft die vent nu een uur lang te staan zaniken over wat een christen is? Christenen... dat zijn wij immers..."'
Ze wachtte even, maar niemand zei iets, alleen Mijs had even geglimlacht; dan praatte ze verder, sneller en heftiger. 'En zo zijn ze au fond allemaal - en dat weet u net zo goed als ik, meneer
127