dan met jas en hoed, maar het meest verraste haar het tegelijk lieve en ernstige gezicht van Mijs met de zacht-lachende mond en de peinzend-diepe blauwe ogen, het dikke, glinster-blonde, krullende haar boven recht en rimpelloos voorhoofd. Ze keek even naar zijn mooie, zijn in ongerepte puurheid argeloos-ver-lokkende jongensmond en een warmte steeg naar haar wangen, terwijl hij tegenover haar zitten ging. Hij was blijkbaar de jongste van de drie, kon nauwelijks meer dan twintig zijn, de beide anderen, aan weerskanten gezeten, zouden wel een jaar of vier, vijf ouder wezen. Bij nauwkeuriger beschouwen vond ze Kot-ting met zijn pedante wipneus, waarop nuffig een lorgnetje wiebelde, zijn steile kuif van vaal, stug haar nog minder aantrekkelijk dan de gebrilde theoloog; Kotting bleek een vierdejaars jurist, Mijs een tweedejaars medicus.
'En waar is nu wel de plaats des onheils?' vroeg Marianne lachend. Haar gevoel van moederlijke goedmoedigheid was weer opgeleefd, terwijl ze de drie jongens en zichzelf uit de grote, volle soepterrine bediende, met een behoefte wat gezelligheid te brengen, te forceren desnoods in dit gedwongen samen-zitten, enige werkelijkheid te verlenen aan die zonderlinge schijn van intimiteit: zij in haar witte zijden blouse, de jongens in hun jasjes, met de soepterrine tussen ze in. Maar haar grapje scheen misplaatst. Mijs had even gelachen, maar niets gezegd — niets durven zeggen blijkbaar, nu de beide ouderen strak bleven. Van der Willigen fluisterde met de over zijn stoel gebogen half-boerse kelner, en Kotting antwoordde, als had ze haar vraag in de nuchterste bewoordingen gedaan:
'Tien minuten, een kwartiertje lopen van hier. Maar er komt om kwart voor acht een rijtuig.'
'Voor tien minuten lopen? Wat een zonde! Of is het hier zo'n rijke boel onder de studenten?'
Mijs lachte nu openlijk zijn blanke tanden bloot. - 'Denk u dat maar niet, hoor!' -, maar ze zag Kotting en Van der Willigen een blik wisselen en ze voelde ineens dat ze tegenviel, dat er iets in haar persoon ze teleurstelde. Ze vond het ineens jammer, voor de jongens - ze hadden toch recht op 'waar voor hun geld' - en ze voelde zich schuldig, tegelijk zich afvragend: waar zat het eigenlijk in?
123