haar vingers klemmend om de rand van de bank; dan, zoals op ergste pijn verzoeting volgen moet, op elke wee een rust, werd ze achter haar verdoofd voorhoofd een verheldering, in haar spieren een ontspanning gewaar, haar handen sprongen los en met een zware zucht liet ze zich gaan tegen de rug van de bank. Had ze dan toch ook niet alle haar vlijtige dagen van drie, vier noeste jaren, alle ogenblikken dat het drukke leven haar aandacht vrij liet, besteed aan dat ene boek, van welks grondslagen ze straks een overzicht, een uiteenzetting zou geven. Ze had aangekondigd dat ze zou spreken over 'Hebbel en Balzac' en nog weer dacht ze aan de onuitputtelijke overvloed van 'interessante wetenswaardigheden' in die jaren vergaard en waarmee ze zulk een gemakkelijk succes zou kunnen hebben oogsten. Want had niet steeds het half-voltooide in de zin van het half-uitgedachte een veel 'geleerder' want gecompliceerder aanzien, juist door wat er nog krukkig en troebel en verward in was? Was een ding klaar, dan was het ook werkelijk klaar, zo eenvoudig, dat het de oppervlakkige en kortzichtige een 'vanzelfsprekende' onnozelheid moest lijken. Alle grote gedachten — van het Socratische 'Ken u zelf af - hadden die schijn van onnozelheid, nochtans waren ze onpeilbaar en onuitputtelijk, daar ze de oogst van jaren in zich bevatten. Hoe hoger de dingen tot dat uiterste van klaarheid werden opgevoerd, hoe verder op hun diepste grondslagen teruggeleid, hoe minder ze geschikt werden om er de 'bourgeois' mee te epateren. Dat kon alleen... Klaasje van der Gracht en zijn talrijk nakroost en verder de 'intuïtieven' in wie metaforen en symbolen, citaten en aanroepingen de leemten in de redenering moeten verbloemen, bij wie lyriek de logica vervangt, zonder dat ze nochtans van de pretentie dat ze 'redeneren' afstand wensen te doen...
Hebbel en Balzac! Het zich subjectief-wetende, dat niets te 'verklaren' zoekt, het door louter zelfonderscheiding alle menselijke gevoelen en willen en drijven in zich ontdekkende, aantonende, blootleggende als afschaduwingen van de ene Idee, daaraan alleen werkelijkheid, belangrijkheid, eeuwigheid ontlenende-, tegenover het zich objectief wanende, niets recht helder in zich werkelijk onderscheidende, schoon vaak intuïtief raak ra-
117