'Ik...? Hoe weetje...? Wie beweert dat...?'
'Ja, als je 't niet wilt weten, dan moetje 't niet zelf laten drukken.'
'Heb ik laten drukken dat ik...?' Onwillekeurig beroerde haar blik even het naar achter saamgevouwen tijdschrift in zijn hand - het was niets minder dan het laatste nummer van de Philosophische Maandbladen - hij ving die vluchtige blik en honend-sarcas-tisch klonk het: 'O neen, daar staat het niet in!' De gedachte alleen dat de 'Maandbladen' notitie zouden nemen van haar beunhazerij.
Ze zocht verwilderd in haar gedachten, naar wat hij eigenlijk bedoelen kon, dan ineens perste een schok van schrik haar al het bloed naar het hart, dreef het schier in 't zelfde ogenblik terug, dat het in een hete blos aan haar wangen en slapen verscheen. Het interview... dat ongelukkige interview met die indiscrete, die onhandige Bogaerts!
'Meen je dat interview met die jonge Bogaerts? Heb je dat gelezen?'
Hij trok de schouders op.
'Gelezen...? Ik weet niet eens waar de man in schijft. Neen, maar Eckstein heeft er in zijn pers-overzicht van de Boekenvriend iets uit aangehaald, iets over gezegd. Ik zag ineens je naam en toen las ik natuurlijk even door...'
'Heeft hij van dat interview iets gezegd?'
'Ja... of eigenlijk meer speciaal over die ene uiting van je. Wacht eens even... ik meen dat ik het bij mij heb. Ja hier... kunje 't zelf zien.'
Uit de binnen-borstzak van zijn jas had hij een over de lengte toegevouwen dun maandblaadje in grijs omslag vandaan gehaald. 'Daar heb je het.' Hij reikte het haar over, ze hield het sprakeloos tussen haar ineens verkilde vingers.
'Zal ik het even voor je opzoeken?' Passief liet ze het zich weer ontnemen; hij hield het bladerend vlak onder zijn breed gezicht; onder de zwaar-ademende neus, het hoge, kale zweet-beslagen voorhoofd, de slechtziende ogen, terwijl zijn dikke vinger zenuwachtig zoekend over de bladzijden, langs de kolommen zwierf- dan gaf hij het haar weer terug, de vinger stijf gedrukt op de goede plek.
i io