goed en niet goed genoeg'. Alweer een! Te goed om in kinderlijke 'weetgierigheid' tevreden voort te leven in een chaos van zinloze, want uit de lucht gegrepen onsamenhangende 'wetenswaardigheden' - 'groene dames' van Ibsen en koopakten van Shakespeare, doopcelen en trouwboeken van dode grootheden; te goed om zich zijn ganse leven te vermeien in de filologische oliebollenkraam, met een verward en immer-plagend besef van iets beters, een hoger geestelijk leven en toch niet bij machte uit zijn doffe geest — of zat het dikke bloed hem dwars? - die goddelijke vonk te slaan, welke de chaos tot kosmos ordent, door welker magische kracht het verwarde helder wordt, het ordeloze samenhang erlangt, zoals de deeltjes van het ijzer zich ordenen en richten onder de werking van de magneet.
En Marianne dacht aan een boek, dat ze eens had gelezen — Liefdes Kronkelpaden heette het - hoe een jongen, na lange, lange jaren naar een meisje te hebben gesmacht, haar eindelijk verovert met veel moeite, door echtbreuk en woordbreuk, en dan, na één ogenblik van blind, triomfantelijk bezit, de zatheid, de onmacht in zich voelt komen met het verpletterend besef, dat het alles een vergissing is geweest... Was het zó niet ook Uhland gegaan?
De trein stond botsend en rommelend stil, de oude juffrouw, die in de hoek tegenover Marianne had zitten dommelen en suffen, nam haar tas en stapte uit—, en Uhland schoof nu, over zijn tijdschrift heen met een vaag glimlachje even naar haar opziend, op de verlaten plaats. Weer meende ze, als even tevoren, de impuls, in 't zelfde ogenblik bedwongen, te bemerken, om haar iets te vragen of mede te delen; maar hij kuchte alleen even en sloeg de ogen neer naar wat hij las; de trein zette traag zich in beweging, ze keek weer terzijde uit over het weiland, waar schaarse koeien graasden in de opstijgende avonddamp, en juist op het punt de fladderende draad van haar gedachten weer beet te grijpen en verder te spinnen, voelde ze hoe hij met een snelle, nerveuze ruk zich tot haar overboog en ze hoorde zijn stem, wat hortend en hees:
'Zeg... doe jij tegenwoordig óók al aan filosofie?'
De onverhoedse vraag, op die vijandige, agressieve toon, botste tegen haar aan en deed haar duizelen.
109