stikken, in wie alle kennis, gelijk in sommige lichamen alle voedsel tot water of tot vet, zich omzet tot een verstikkende woekering op de geest, van die geest de ontplooiing niet bevorderend, maar belettend. Uhland was van schooljongen af een boekenwurm geweest, had jaren achtereen feiten opgenomen, kennis gevreten en schoon zijn lijfelijke gedaante de vergelijking ietwat paskwillig maakte, had hij Marianne toch wel eens doen denken aan de magere koeien uit de bijbelse droom, die de vette verslonden en niet vetter werden. Lange jaren had ze instinctief, uit een van die ongegronde instincten, die taaier blijken dan hecht-gefundeerde overtuigingen, in het ontzag van haar omgeving gedeeld - 'Van die Uhland zul je nog eens wat horen, die Uhland zul je professor zien worden' Uhland was geen professor geworden en hij had zelfs geen wetenschappelijk werk van enige omvang of enige betekenis gepubliceerd -, de laatste tijd verschenen er in dagbladen en tijdschriften kleine artikeltjes, soms over een romannetje-van-de-dag, soms ook ineens een verwoede polemische uitval, en wie zich daarbij zijn gestalte voorstelde en zijn pretenties en zijn aanvankelijke reputatie, die moest wel denken aan onnozele muisjes, onder zuchten en steunen door een berg gebaard, aan nietige slingersteentjes, te midden van rook en roet en vuur en vlam uit een krater omhoog geworpen. In de aanvang had ze nog gemeend dat die artikeltjes een subtiele verdienste hadden, welke haar ontging - want het instinct, waaruit haar ontzag stamde, bleek tegen heel wat bestand, en nog altijd trouwens heette het: 'En Uhland is toch lang geen ezel', doch steeds vaker werd die uitspraak vastgekoppeld aan of beantwoord met 'maar wat hij schrijft, dat lijkt naar niemendal', en in haar waren inmiddels grotere goden van hun voetstuk gestort!
Leraar had Uhland nooit willen worden. Evert zei nu wel achteraf: 'Uhland en orde onder een bende jongens!' — maar hij had het nooit geprobeerd; dat was het eerlijke en waarachtige in hem, dat hij het hachelijk bestaan van vrij werker had verkozen boven het veilige en zorgeloze van de vaste positie, onverdeeld, ongerept zich bewarend voor de grote wetenschappelijke arbeid, waarop hijzelf het stelligst, het vurigst had gehoopt... 'Te
108