dertje' onder het liggend boord en de vale streepjesbroek pasten zo natuurlijk als waren het de onderdelen van een levend organisme — de rode en grauwe en gele randen, de witte sneden steken, en ze werd een gevoel van veiligheid in zichzelf gewaar. Wat was er toch in hem dat aan elk gesprek iets agressiefs, iets vijandigs gaf, alsof hij met een stugge zijstoot van zijn plompe schouder haar omver duwen en onder de voet lopen wilde —, was het niets dan blote schutterigheid of stak het dieper en tegen haar alleen, tegen haar in 't bijzonder? Schijnbaar aandachtig naar buiten kijkend, waar kleine warmoezerijtjes de overgang vormden tussen stad en platteland, hield ze in 't spiegelend zijraam hem in 't oog; ze zag dat hij nog even naar haar keek en naar haar tas in 't net - de oude leren portefeuille hield ze half naast, half onder zich verborgen, dan ging zijn korte brede hand inderdaad naar de zijzak en haalde er een korenbloemblauw bro-churetje uit. Onder zijn laatste blik was het haar ineens geweest als wilde hij haar wat zeggen en kon het niet of dorst het niet -, blijkbaar had ze zich daarin echter vergist. Om de medereizigers althans had hij het niet behoeven te laten; uit de hele volte waren er maar twee met hen binnen gekomen, een oude juffrouw die schuddebollend sufte en een oude heer die al scheen te slapen. In overgegeven aandacht leek hij nu te lezen, schoon zijn dikte, zijn volbloedigheid - mogelijk ook, dacht ze, nu hij een paar maal met zijn rechterschouder sjorde, zaten zijn bretels hem onplezierig - hem nu al steeds het stilzitten beletten. En uit een half-soezerig kijken weefde ze haar aandacht en haar gedachten dichter en vaster om hem heen, en ze voelde belangstelling, zonder veel sympathie, maar sterk vermengd met medelijden. Een paar maal de laatste tijd had ze het Evert horen zeggen 'Uhland is een stakker' -; zijn beklag betrof weliswaar alleen de maatschappelijke kant, die van welslagen en succes, maar ook daarin had hij gelijk: tot voor kort had Uhland behoord tot die erkend-knap-pe, jonge geleerden, waarvan iedereen alles verwacht en waar, in 't verlopen van het ene na het andere jaar, niets uit groeit, niets uit te voorschijn komt, totdat ze dan op een zeker ogenblik, door niemand vooruit bepaald, opgegeven, afgeschreven worden -, die veroordeeld schijnen in hun eigen knapheid te
107