gen, zonder behagen naar het spartelend neerklokken van de limonade in het glas, waarin duizenden belletjes, naar vrijheid hakend, naar boven stormden tot een dikke rozige, donzige sissende schuimlaag. Ze had geen dorst meer; ze bleef naar het glas zitten staren zonder het aan te roeren, en ineens werd ze in zichzelf een vreemd, schier lijfelijk meegevoel gewaar met het bevrijde koolzuur dat, van dwang en druk verlost, zich naar de eis en de drang van zijn wezen nu weer vrijelijk verspreiden mocht!
Pas toen, op enkele trage belletjes na, het rappe gas naar rondom scheen ontsnapt, zette ze het glas aan haar mond, maar de drank was lauw en ze proefde er een carbolsmaak aan; ze betaalde, stond op en ging heen en weer lopen op het perron. Daar, tussen de anderen, wachtend de trein, die nog voorkomen moest, voelde ze, hoe de muur tussen haar oneindig wezen en haar beperkte persoonlijkheid zich weer optrok, ditmaal echter was het geen beklemming doch een beveiliging; ze voelde een moeheid in zich en het overleggen, welke wagon ze kiezen zou en of ze 'dames' of'niet roken' zou gaan zitten, hield haar in rust. Van heel achter uit de half-cirkel blinkend wit middaglicht kwam de lege trein, in diepe ademtochten de woelige zwartgrijze rook opstotend tegen de donkere kap, rustig en machtig aangezet, en de een na de ander, achter de geweldige machine, schoven zich de rammelende wagens, opdringend uit de schuinte, tegen de hoge perronkant aan, nog even rukten en duwden de remmen ze voor- en achterwaarts dooreen, de conducteurs waarschuwden dreigend tegen voortijdig instijgen, dan stond de lange, zwarte rij onbeweeglijk, als voorgoed tot staan gebracht en Marianne, plotseling opgenomen in de jachtige volte van, de wachtkamers uit en de trappen op, zich reppende mensen, had een ongekend vreemd-heerlijk gevoel van aan zichzelf ontvloden, in de onbekende, onpersoonlijke menigte opgegaan, ondergegaan te zijn.
Een zwaargebouwd man met een rood gezicht en in zwarte kleren steeg vlak achter haar binnen, maar ze merkte hem niet op, voordat ze een hoekje bemachtigd, tas en portefeuille geborgen had. Toen ineens zag ze schuin tegenover zich een bekend gezicht, maar nog voordat de aanblik der bekende trekken uit
105