ders onderwerp bekreunt, doch alles welgelaten slikt om, - 'do ut des' - ook op zijn beurt ongehinderd alles te laten slikken -dan kwam er een in de kwaadaardige prikkelbaarheid van het opgeschrikte zelfbehoudsgevoel verscherpte opmerkzaamheid en peuterige scherpzinnigheid voor de dag, die met gretige nijd zich op bijkomstigheden wierp, triomfantelijk met een zwakke bewijsvoering, een onjuist citaat aandragen kwam, inmiddels aanvallen onbeantwoord, bezwaren onweerlegd, de kern onaangeroerd latend! En dan werd ook pas flink de bevoegdheids-trom geroerd, van welks machtig geluid men goedgezinde beunhazen in magistrale welwillendheid nog wel verschoonde!
Want wat dreigde er bij dat wroeten in geheiligde grond door ongewijde handen al niet bloot te komen, als de wortels van 'onomstotelijke stelligheden' verrot of te kort bleken en de pa-len-boven-water van onderen voos -, als de talloze heilige huisjes en de spreekgestoelten, vele in tal, begonnen te wankelen en ineen te storten op hun ondergraven fundamenten.
En zo, in edele verontwaardiging smalend op de domme dompers, die Descartes en Spinoza, Lessing en Fichte het leven verzuurden, zich tot tranen toe vertederend voor het lot van Shelley in het hypocriete Engeland, van Schiller in het ondankbare Duitsland, van Rousseau in het kortzichtig Frankrijk, bij gelegenheid (als gedenkdagen van geboorte of dood) geestdriftige woorden wijdend aan de 'koene brekers van traditie en sleur', de 'moedige wegbereiders der nieuwe gedachten' bleven ze naarstig voortgaan eigen traditie en eigen sleur te verdedigen door hooghartig honen, door platslaan onder grote woorden, door bestoken met peuterkritiek, en vooral: door doodzwijgen tegen alles wat 'baanbreker' en 'wegbereider' dreigde te kunnen, te willen worden-, zelf veilig verschanst achter het bolwerk van een gevestigde, wetenschappelijke reputatie!
Ze had, in heftige innerlijke bewogenheid, dit alles overdenkend, de plaats, waar ze zich bevond en het doel van haar tocht vergeten —, nu ze door het komen van de kelner plotseling als met geweld zichzelf onttrokken en aan dat alles herinnerd werd, voelde ze een grauwe moedeloosheid, een gallige tegenzin schier, tegen wat haar te wachten stond. Ze keek zonder verlan
104