liep hij wel tegen een bijzondere lap zijde aan, — een waaiertje — het zou nog niet zoo heel gemakkelijk zijn, tusschen al den waardeloozen pronk iets werkelijk goeds te vinden, — dan verder wilde hij haar ook, voor de aardigheid, wat van die Chineesche kruiden en droge vruchten en bolgewassen koopen, hij kende een oud Chineesje, dat een typisch winkeltje in die dingen hield, — ook een foto van dat winkeltje misschien... in geen geval tijgerklauwen in goud, geen limonade-lepels, geen geluks-gespen.
Hij glimlachte onder het peinzen.
Hij ging nu op weg om geschenken te koopen voor een meisje ver weg, voor een (?lief meisje, dat hij tot zijn vrouw mocht vragen, dat dan ״ja" zou zeggen en bij hem komen en zijn leven deelen, een meisje, dat hij vroeger had gekend en aan wie hij oud onrecht goed te maken had! Gesteld, dat hij dat alles nu eens zoo, als geval, las of hoorde...
Een man is op weg om geschenken te koopen voor een meisje in Holland ... hij heeft haar portret in zijn zak . .. hij peinst over wat hij haar geven zal, hij denkt daarbij aan haar karakter en aan haar werkkring... hoe „poëtisch" zou hij dat vinden. Wat zou hij den man benijden om die volheid in zijn leven. Een man die het portret van een lieve vrouw in zijn borstzak bij zich draagt.
.99