getuigde dit heenglijden over hun verleden eigenlijk niet van de meest mogelijke takt? En toch ... en toch ... het wonder was uitgebleven en de heimelijke spijt daarover liet zich niet uitroeien.
Hij was dien avond bij 't slapen gaan volkomen onzeker wat hij eigenlijk gevoelde en besloot de beslissing aan den volgenden ochtend over te laten.
De eenzame jaren hadden zijn ingeboren zucht tot zelfontleding zoodanig in hem ontwikkeld, hij was zoo gewend geraakt, elk gevoel, elke aandoening te analyseeren en als rondom te bekijken, dat hij er ten slotte zelf geen weg meer in vinden kon. Gedachteloos gelukkig of ongelukkig te wezen verstond hij alleen in momenten van heftige bewogenheid, meestentijds echter vroeg hij zich in zelfkwelling af ״ben ik nu wel gelukkig ?" — ״voel ik mij nu werkelijk ongelukkig ?" ״meen ik wel wat ik nu zeg?" ״geloof ik wel zelf in wat ik daareven beweerde?" — juist zooals in die eerste weken na den dood van Ruysch.
Doch er was één oogenblik eiken dag, dat hem verraste als in naakte onbevangenheid, voordat zijn geest het pantser der critische zelfbeschouwing had aangetrokken : het oogenblik van het ontwaken. Was hij een vorigen dag in onzekerheid omtrent zichzelf gaan slapen, de volgende
.93