morgen bracht hem licht, ja, had hij somwijlen in heimwee naar geluk zichzelf opgedrongen dat hij gelukkig was, —• het ontwaken anderdaags openbaarde hem onontkoombaar dat hij zich had bedrogen.
De vele dagen voordat Truusjes brief hem bereikte, was telkenmale het ontwaken begeleid door een verwachtings-gevoel, gemengd met vrees voor wat hij wellicht te hooren zou krijgen .— was 't niet mogelijk dat ze zich aan een ander had gebonden of om andere redenen van hem niet weten wou? — dat hem 't hart deed jagen, 't bloed opbonzen naar de slapen, maar dat toch niet onaangenaam was.
Doch den eersten morgen na het ontvangen van den brief, en zoodra hij de oogen opsloeg naar den jongen dag, — toen wist hij het al wel: de brief was er, maar had niets in hem teweeggebracht van de uit juichende blijdschap, van de helderlichte stemming, waarop hij nu pas wist zoo vast te hebben gehoopt, het ruime uitzicht was verduisterd, de klare verwachting leek verflauwd. Ofschoon in den loop van den dag, en in 't nogmaals herlezen van den brief het neergedrukte in hem zich weer oprichtte en opklom tot hernieuwde hoop, de horizont van zijn geest zich weer verruimde, ofschoon hij
.94