was cn hij iets binnen in zich, dat warm en gespannen was geweest, al die weken reeds en dit oogenblik het sterkst, als verkoelen en ineenzinken voelde. Dat was het dus, — de langverbeide brief, al die hupsche mededeelingen, die toon van blij-moedigen ernst, regels aanvangend met ״en laat me je nu eens vertellen", — maar geen enkel ״weet je nog wel?" — tenzij dan om hem zakelijke dingen, de ligging van een huis, de inrichting van haar dag, in herinnering te brengen.
Maar wat anders had hij dan gewild? Wat had hij dan gedacht dat hem als een wonder tegemoet springen zou, — tot wat dwaze hoop had hij zich dan opgewonden, al die weken? En kalmer, had hij den brief nog eens overgelezen. Er was immers echte hartelijkheid in, warme belangstelling in zijn lot en leven. Wat wilde hij meer ? Ze had geschreven onmiddellijk na ontvangst van zijn brief, wat vorderde hij nog anders? Dat ze zich aanbieden zou, na wat er indertijd was geschied en zonder nog iets naders van hem te weten? Hij behoorde onder de dwazen, die het verleden idealiseeren, die het harde en smartelijke vergeten, ja, het zelfs opheffen en vermooien, zoo het maar tot de voorbijgegane dingen behoort, — zij had een andere natuur. En dan, hij had onrecht gedaan, maar zij had onrecht verduurd.
.92