dag gcnoodigd op een schietwedstrijd ter eere van het in gebruik nemen van een nieuw clubgebouwtje op een naburige plantage, .— hij moest wel daar bij zijn, wilde bovendien niet wegblijven in een soort bijgeloovige vrees, dat juist wanneer hij er voor thuis bleef de brief niet komen zou, .— hij was dus gegaan, maar was verstrooid geweest en had slecht geschoten, en laat in den avond weergekeerd, had hij toen ook den brief gevonden.
Het eerste moment was wel zalig geweest. Dat grijs-paarse couvert tusschen zakenbrieven en tijdschriften, waarop hij onmiddellijk Truusjes hand herkende, forscher alleen geworden. Een brief van een vrouw in zijn huis, — en dat gevoel van verrukking, als geschiedde er een wonder, als was dit de allereerste verwachting in zijn leven, als was haar brief de eerste vrouwenbrief die hem gewerd. Hij had hem gewogen op de hand, betast, besnuffeld, eindelijk hem opengebroken en gretig de acht kantjes met de oogen verslonden, vliegensvlug, over elk zijdje heenglijdend, telkens verwachtend op iets te stuiten, op een woord, dat hem als een vonk tegen blinken zou, op iets wonderlijks, wat het moest zijn wist hij niet, iets zoets, iets geheimzinnigs dat tusschen de regels te lezen zou staan, ׳— totdat hij aan 't eind
.91