een droomer, een denker, een toekomstig genie, meer waard dan de heele rest en zich nauwelijks kunnen bedwingen als er geglimlacht werd of zwakjes geprotesteerd. Hij had doorgezet dat hij ten eten, te logeeren werd gevraagd. Hoe lang had het geduurd, eer hij wilde inzien, wat iedereen zag en wat hij zelf had kunnen zien, zoo hij maar had willen zien, dat de vriend niets was dan een gevoellooze, nuchtere ״streber", die hem als relatie wel wenschte en overigens lak had aan „sentimentaliteit".
De wereld moest altijd „mooi" zijn, omdat hij het zoo wenschte, de menschen allemaal „goed" omdat het hem aangenaam was in eene wereld van „goede" menschen te leven.
Al deze ervaringen herdacht hij in de lange avonden, gedurende zijn wandelingen door de velden en zijn werk op kantoor.
De eerste mail, die antwoord had kunnen brengen, leverde niets op, — in de zwellende verwachting en vrees mengde zich toen ook wat hij noemde het „Adolphe-sentiment", het zoo welbekende, het gevoel van den veroveraar, van den jongen, die juist het liefst bemachtigt, wat zich 't moeilijkst vangen laat.
De volgende mail, de „Duitsche" mail, kwam een week later, hij was juist dien
.90