toe. En daartusschen kwamen dan ook wel voorstellingen van het oude stadje, waar zij nu ״schoolhoofd" geworden was. In welke straat zou ze wonen? Er was in zijn jongenstijd al een buitenbuurt met poppig-kleine villatjes, die 't schoolmeesterstraatje werd genoemd, — dit alles zou nu nog wel ruimer zijn uitgebouwd, verder het land in, door de weiden heen, die nu geurig en kleurig van klaver en wilde zuring moesten zijn, en waar de welige koebeesten droomend te herkauwen lagen in 't wisselspel van licht en schaduw. Hoeveel maal had hij niet als jongen onder 't zalig slenteren na schooltijd de wolkengevaarten gadegeslagen, gestadig aandrijvend van de zeezijde af en land-in vervluchtigend tot dunne nevel.
Ook de school kende hij, die werd door de straatjeugd „jongejuffrouwschool" genoemd ook wel „nuffenschool", .— een verbouwd heerenhuis op een plein met boomen, veel deftiger, maar veel minder gerieflijk dan de stadsscholen, roode en blauwe schortjes hingen er aan de kapstokken in de gang, — de meisjes droegen die alleen onder 't leeren, gingen er niet mee over straat, dat onderscheidde ze van de stadsschool-kinderen.
Hij kon zich Truusje daar onmogelijk als „hoofd" voorstellen, als opvolgster van het oude, ietwat kreupele dametje met
.87