VIII.
HET viel wel tegen. Hij had zich al die dagen voorgehouden, dat het zoo komen moest, omdat zijn gedachten al te zeer gespannen waren. Hij wist zelf niet of hij zich over die gestadige opwinding om niets moest ergeren of verheugen. Was het een bewijs van zijn kracht en onverwoestbare jongens-achtigen levenslust, of beteekende het rede-looze zwakhoofdigheid, gebrek aan zin voor de werkelijkheid? Vaak kwelde hij zich met deze zelfontleding, in den vroegen morgen vooral, wanneer het ontwaken hem weer dat albekende gevoel van verwachting ingegeven had! En dan later op het kantoor, uiterlijk kalm, volkomen beheerscht, luisterend naar Rijnbergens eeuwige klachten over onwillig werkvolk, of wel Fonteins administratieve knoopen ontwarrend, vroeg hij zich af, wat die twee van hem denken zouden, wat elkeen van hem denken zou, wisten ze van zijn dwaze opgewondenheid.
Het merkwaardige daarbij was, dat hij nimmer vaste toekomstplannen smeedde, dat zijn verwachtingen eigenlijk heel geen bepaalde vormen aannamen. Aanvankelijk hadden zijn gedachten zijn eigen brief gevolgd op de uitreis naar Holland, en daarna haar antwoord op weg naar hem
86