de stijve zwarte japon, aan den hals wit-geplooiseld, die hij zoo vaak aan 't hoofd van een stoetje snaterende hoogste-klasse-meisjes langs de grachtjes had zien wandelen. Hij had er soms wel eens eentje aangekeken, — ze waren niet veel jonger dan Truusje toen — en zijn blikken werden dan wel beantwoord ook. Dan konden de oude grijs-blauwe oogjes achter den bril ineens zoo venijnig naar hem priemen, ja, als hij er nog maar aankwam, en 't kleine hoofdje boven 't witte plooisel wendde zich driftig om bij de gedachte alleen dat hij een van de haar toevertrouwde lammetjes toelachen zou. Zelfs dat oude vrijstertje had in hem gevoeld den meisjes-jongen, die hij was!
Ja, een echte meisjesjongen was hij geweest, met toch altijd een soort glimlachende geringschatting voor de meisjes van zijn eigen leeftijd, die hij ״schaapjes" vond, droomend van de veel oudere, de „bedwelmende vrouw".
Somwijlen had hij den lust gevoeld er met den dokter over te spreken, die hem nu niet meer hoonen zou. Of met Lientje. In hun bijzijn voelde hij iets van de vertrouwelijkheid van vroeger met Ruysch. En de gedachtenis aan Ruysch was nu voor altijd in zijn geest verweven met diens vreemde biecht, zoo kort voor zijn dood. Alles spon liefde om hem heen,
.88