warme gloed streek door hem heen. Maar dan ging zijn blik weer naar Bartels en mevrouw Van Till —, en daar was plotseling een gansch andere wereld, hoor, het holle kakelen, en het hansworsterig ״converseeren", dat eeuwige, onverdraaglijke glimlachje. Over enkele weken zou er een dag komen, dat de blikken trommel van den postlooper een brief van haar bevatten zou —, misschien wel een portret — hij had het niet rechtstreeks gevraagd, maar wel te verstaan gegeven, dat hij het graag hebben zou. Hij had haar ook gezegd, hoe ze hem dien avond als 't ware gered had uit den toestand van nerveusen angst en hoe dat de aanleiding was geweest tot zijn schrijven. Dat kon ze, dat mocht ze toch niet opgeschroefd of weeke-lijk vinden, 't Was immers een feit dat sinds dien dag de gedachte aan haar onafscheidelijk verbonden zat aan een gevoel van verlossing na ondraaglijk-benauwden druk. Hij moest nu heengaan, 't Afscheid-nemen was al begonnen, 't grint knerpte onder de voetstappen der eerst-vertrek-kenden. Hij had toch eigenlijk nog wel graag even met het meisje gepraat, voelde zich aan den anderen kant te onrustig.
„Blijf je niet nog even?" kwam de dokter, hartelijk, „we hebben zoo weinig aan je gehad, je bent zoo stil vanavond."
Hij aarzelde even, gezellig was 't hier
.84