dat hij zijn jeugd teruggewonnen had, maar zonder jeugd-ijdelheid en wreede onnadenkendheid, dat hij alles wilde goedmaken en meer, dat hij vol berouw en teederheid was, ׳— het zou haar, het zou elkeen dwaas-romantisch lijken, het leek hem zelf zoo bijwijlen. Toen had hij, ten leste, voor zijn brief den vorm gevonden, die hem bevredigde, die haar niet al te zeer bevreemden kon, niet afschrikken, maar evenmin al te vast nog doen verwachten ... Want hij gaf er zich toch wel rekenschap van, dat de jaren allerlei veranderingen konden geschapen hebben, dat ze van elkaar vervreemd konden zijn... al bleef die overweging verstandelijk, daar zijn gevoel hem toch de schoonste verwachting voorspiegelde. En nu was zijn brief al een dag of acht in zee.
״Heb je niets te drinken, Feenstra?" vroeg de dokter. ״Wat zit je daar toch te droomen op een droogje?"
Hij had nog altijd zijn ouden spottenden toon, door gewoonte, maar een ongekende mildheid, uit geluk ontsproten, had er de scherpte van verzacht. En dat was het werk van dit bijna-onaanzienlijke kind, dat toch wel iets geestigs in de oogen had, en iets gracieus ook, vond Feenstra nu, in de buiging van haar halsje. Wat een vrouw wel kon! En wat liefde toch was! Alles, alles, alles, o, 't eenige. Een
.83