was een nest, met haar neerbuigendheid.
Nu moest hij toch ook wel opstaan en haar tegemoet, ze had hem al uit de verte gezien en gegroet met de mengeling van minzame beleefdheid tegenover den chef en zelfbewustheid van ״gevierde mooie vrouw". Ze was eigenlijk net een verwend kind, vond Feenstra ineens, en even flitste de gedachte door hem heen, hoe ze tegen Truusje wezen zou, als die ooit hier kwam als administrateurs-vrouw .. .
Ze spraken even samen, in beleefden gezelschapstoon, en voor de zooveelste maal hoorde hij: ״Wie had het ooit gedacht van onzen dokter ..."
„Eén voor één en vele gelukkige families" kwam Bartels ertusschen, de „artist", met een zinspeling op de romans van Robbers, die hij haar juist had geleend. Ze vond de opmerking buitenmate geestig.
Bartels, pedant en redderig in zijn krakende kleeren, praatte door, blij met zijn succes, snel rondziend of misschien ook anderen zijn snedigen zet hadden gehoord, onmiddellijk den beschaafden man uithangend.
„Hebt u gezien, mevrouw, in de laatste „Studio", die reproducties van oude Japan-sche teekeningen? Nog niet in den leestrommel gehad? Mag ik u dan zeggen, waar u bijzonder op moet letten? Op de ..." Hij kneep even, als zoekend in
.80