zuchtte hij in zichzelf, wat had ze zich mooi gemaakt! Wat een japon en een hoed met pluimen. Een paar van de jongelui keken elkaar aan en dan tersluiks naar hem, den administrateur. En in hun blikken las hij de vraag of hij het niet een beetje erg vond, voor een ״assistents-vrouw", 't Ging hem nogal wat aan, en eer hij zich daarmede bemoeien wilde! Curieus, dat er nu ineens even een verkilling viel. En ze waren nog zelfs de trapjes niet op, ze stonden nog bij hun rijtuig, want de baboe en 't kind waren ook meegekomen en zoo gauw niet uitgestapt. Ze sjouwde 't kind overal mee heen. Nu kwam ze dan met de maniertjes van een vrouwtje dat weet dat ze „elegant" gevonden wordt, de trapjes op, en hij zag duidelijk, dat zij ook den voormaligen „vrouwenhater" plaagde met haar glimlachje en een opgeheven wijsvinger. Hij keek even om naar Lientje, hoe ze 't opnemen zou, een blosje kwam op het eenvoudige gezicht, — grappig, de ontmoeting van die twee gade te slaan. O, met beide handen uitgestoken, hoe overstelpend hartelijk, maar niet zonder den snellen, proevenden blik van top tot teen, waarmede vrouwen elkander meten, en nog tegen haar ook weer oolijkheidjes, die hij niet hoorde, — hij zag alleen maar den dokter zuurzoet grijnzen. De man had gelijk gehad, ze
.79