zijn geheugen, de oogen dicht, dan, langzaam sprekend, ״op de derde prent, rechts boven, een heel klein kinderkopje... bijna niet te zien, 't kind staat verscholen achter de kimono van de oude vrouw... subliem ... eenvoudig subliem ..."
Bartels zag altijd op een teekening of een schilderij datgene wat ״bijna niet te zien" was en vond dat dan 't mooist van alles, zooals hij in een boek of een vers juist die bladzij of regel ״verdomd knap" of, bij dames, ״ongelooflijk mooi" noemde, waaraan geen mensch iets bijzonders opgemerkt had.
Feenstra maakte van beider artistieke vervoering over het bijna onzichtbare Japansche kinderkopje gebruik om naar zijn hoekje terug te sluipen.
Hij had daar al een oogenblik in een album met Hollandsche kiekjes zitten bladeren, hopend een prentje te vinden van het dorp, waar hij met Truusje op school was geweest, hij vond zich zelf een beetje flauw, maar kon het toch niet laten.
Thuis op den kalender had hij de mails aangeteekend, waarmee haar antwoord op zijn brief zou kunnen komen.
Er was nu iets, waarnaar hij uitzag en waarop hij wachtte, 't Schrijven van den brief had nog hoofdbrekens genoeg gekost, dien avond. Toen hij eenmaal met de pen in de hand aan zijn tafel zat, had
.81