niet heelemaal van hun ״stand". Onverwacht had toen de hoofdadministrateur haar een logeerpaviljoen naast zijn huis aangeboden en nu, den derden dag na haar komst, hielden ze te zamen een soort huiselijke receptie in het doktershuis.
De meesten waren daar al, toen Feenstra kwam, alleen de Van Tills werden nog verwacht. De „beschavingsarbeid", gaandeweg kwijnend, was door de geboorte van de baby tot een vreedzaam eind gekomen, en in zooverre had de dokter gelijk gehad — 't was eigenlijk een opluchting geweest voor de meesten. Nu nam het kind haar heelemaal in beslag en zelfs „mannie" raakte op den achtergrond. Maar veel veranderd was er niet, in plaats van „modern huwelijk" speelde ze nu „modern moederschap", zoo althans pruttelde de dokter, die haar had geholpen en meer dan ,eens met haar geharreward om haar „malle mode-fratsen". Van Till zelf was er al aan gewend en de kameraden hadden er bij gewonnen, nu hij zich niet meer eiken dag een graadje „beschaafder" voelde worden.
Het meisje van den dokter liet zich heelemaal niet fêteeren en zij schenen eerder vader en dochter dan pas-verloofden, zoo gemoedelijk en prettig vertrouwelijk was reeds hun omgang, de gasten waren eenvoudig in het wit en er heerschte niet
.77