vele dingen niet verdragen. Hij had al dadelijk moeten verhuizen, omdat de kleur van zijn kamer haar ״ziek maakte" en allerlei nieuwe dingen aanschaffen, oude rommel opruimen. Er waren dingen bij, die hij van thuis had, waaraan hij was gehecht uit zijn kinderjaren, prentjes, prulletjes, en die hij eigenlijk heelemaal zoo leelijk niet vond. Doch eer hij haar dat bekend had! Dat hij hechtte aan dingen van ״thuis", als een gewone ״bourgois-jongen", dat hij die prentjes en prulletjes, de aanblik waarvan haar soms als in pijn deed kreunen en met een gebaar van walging de oogen sluiten, eigenlijk niemendal hinderlijk vond. Hoe voelde hij in alles zijn minderheid. Hij had op 't gymnasium nogal aardig verzen kunnen lezen, had het zelfs eenmaal op een ouder-avond gedaan en den lof van volwassenen ingeoogst — doch las hij voor haar, dan kon ze zich soms plotseling, ineenkrimpend, de ooren stoppen en roepen; ״fout" ... ״fout" ..., zoodat hij onthutst zweeg. Dat verschrikte gezicht van hem vond zij dan weer zoo lief, dat ze opvloog en hem als een razende kuste. Ze las dan daarna zelf en lei hem uit wat ze gelezen had en vond er allerlei dingen in, waar hij zelfs geen vermoeden van had gehad... ze dweepte met Baudelaire, maar, dat merkte hij wel, ze verstond lang niet alle woorden ..., het moest
.71