en als nu een ander het weet... zoodat ik het gevoel ook heb, dat anderen het weten en dat anderen mij beschouwen als verbonden met haar, dat ze ons aanmerken als verloofden... dan wordt het ook voor mij werkelijker, dan kan ik zelf ook gemakkelijker gelooven, dat ik inderdaad... gelukkig ben ... Ja, zeg maar niets... nu ik het uitspreek, voel ik zelf wel hoe gek of het klinkt... en toch is het zoo. . . en toch moet een ander mij zeggen dat ik verloofd ben en dat ik gelukkig ben en dat dit alles ״werkelijkheid" is ... om mij te helpen het zoo te vatten... Vin-je 't idioot?"
„Wel neen," zei de dokter, „'t zou veel gekker zijn als 't anders was. Stel je voor een mensch in de maatschappij, nie-waar? — in 't gemeenschappelijk leven met anderen geboren en getogen, van geslacht tot geslacht... met anderen saamgegroeid, van anderen afhankelijk, in gezelschap van anderen voelend en denkend, — en dan tegelijk zoo maar ineens in staat het toekijken en goedvinden van de anderen te missen en zich staande te houden met zijn gevoelens en daar altijd in te gelooven, buiten de suggestie van een kring, die hem als het ware opneemt en draagt ? Neen mijn waarde vrind, dat kunnen we geen van allen. Een mensch-alleen is maar iets heel ijls en vluchtigs en vervloeiends
.111