stra", vroeg ineens echter de dokter, „ik heb een tafeltje in 't hotel besproken, 't zal er vol zijn, zie je, en dan breng ik daarna Lientje even terug en ga tegen half vijf weer op huis af."
Feenstra stemde toe, het werd een gezellig déjeuner, zooals hem in jaren niet was overkomen, meer dan eens in die ongewone sfeer van vertrouwelijkheid, waarin hij, naar zijn natuur, zich geheel en al voelde opgaan, stond hij op het punt zijn eigen hartsgeheimen aan te roeren, doch Lientje's tegenwoordigheid weerhield hem.
Later in den middag, met den dokter alleen, sprak hij toen over Truusje, over hun verleden, het vreemde toeval dat haar weer in zijn leven had teruggebracht en hun hernieuwde vertrouwelijkheid.
„Zie je, het is niet om je raad te vragen, dat ik erover begin, want ik weet wel dat eigenlijk niemand raad begeert en dat niemand ook raad geven kan in zulke dingen, — en het is ook niet omdat ik er mijn mond niet over houden kan, — het is maar, zie je. .. er is geen realiteit aan, zoolang ik het alleen weet... ik weet niet of ik het goed zeg.. . het wordt soms ineens zoo onwezenlijk... zoo vaag... ik kan het niet tasten... en dan geloof ik er soms zelf niet meer in. .. in mijn eigen gevoel, in de heele verhouding ...
.110