verschillig in het besef van eigen geluk.
Middelerwijl bedacht Feenstra hoe hij nu doen moest met zijn eigen inkoopen en zijn lust was groot, zich tegenover hen te ontlasten van zijn geheim en uit hun woorden, hun blikken en glimlach te verstaan dat hijzelf ook gelukkig was.
Was de dokter er alleen geweest, hij zou niet langer geaarzeld, maar zich uitgesproken hebben, — doch tegenover het meisje voelde hij zich bleu, weinig gewend als hij was aan vertrouwelijkheid met vrouwen, vreezend dat ze hem flauw zou vinden of misschien zelfs wel onkiesch tegenover het meisje in Holland.
Dit alles soesde hem door 't hoofd, terwijl hij Lientje hielp bij het kiezen van een zijden japonnetje en andere dingen en hij benijdde den dokter, die met zijn geld, waar hij zelf niet om gaf, het aanhankelijk kind zoo gelukkig maken kon. Deze liet hein met beide handen 't overleggen over en knikte lachend zijn volle instemming, toen Lientje pruilend verzekerde, dat Feenstra veel meer smaak had dan hij. De Japanner, onverstoorbaar geduldig, altijd door grijnzend, keek vaag van den een naar den ander. Feenstra besloot in zichzelf, dat hij nog niets zeggen zou en zijn inkoopen uitstellen, tot de anderen weg waren,
״Ga je met ons mee déjeuneeren, Feen-
.109