slaan, een diepe, zoete ontroering, zóó sterk, zóó intens had hij die korte oogen-blikken als getuige tegen wil en dank met hen beiden medegeleefd, — maar tegelijkertijd werd hij zich van het benauwde dezer positie bewust en hij was blij, nu hij uit de achterdeur den breed-grijnzenden Japanner zag binnenkomen, armen en handen behangen met bonte doeken en lappen kleurige zij. Kinderlijk opgetogen liep hem Lientje tegemoet, den dokter meetrekkend, ze hadden hem den rug toegekeerd en hij kon nu ongemerkt naar de winkeldeur terugsluipen en hen van daar af, als was hij juist binnengekomen, gaan begroeten. Want hij wilde hen in elk geval even spreken, als 't kon zich bij hen aansluiten.
Ze stonden, de hoofden dicht bijeen, over de onder soepele glansen en zachte kleuren schuilgaande toonbank, naast hen in afwachting de Japanner, uit gewoonte vriendelijk grijnzend, maar de oogen elders, over hen heen, en ze betrokken hem dadelijk, na vluchtig begroeten, in hun kiezen en overleggen, Lientje kinderlijkopgetogen tegenover schatten, zooals ze zich, arm kind uit groot gezin, nimmer had gedroomd, — en de dokter met een laatsten zweem van zijn spottenden glimlach, bij voorbaat Feenstra's plagen afwerend, maar zich toch veilig wetend in de aanvoeling van zijn sympathie en on-
.108