ke oranje-propjes, die zijige gele, waarin zilverglans speelt? Kun je denken... de tantes hebben er een mand vol op de bloemenmarkt gekocht. Sleutel in de voordeur, en tante Heintje is weer thuis. Maar ze komt niet dadelijk naar de loofhut toe, ze draait de keuken in en roept door het raam dat ze eerst koffie wil gaan zetten. En nog iets heeft ze geroepen. 'Wat vroeg u, tante ?'
De hortensia? Neen, die heeft ze nog niet gezien. De hortensia hoort van tante Heintje, die hem verzorgt, die hem in het leven houdt en het grootste deel van het jaar in bloei. En ze wist wel dat hortensiabloemen zolang ze bloeien van kleuren verwisselen, maar niet dat één enkele bloem als een reusachtige zeepbel zo rijk aan zachte tinteling van tinten worden kon. Nu is ze meteen weer in de tuin, nu wil ze toch even blijven kijken. De wind doet alles ritselen en zoetjes roeren, geen hoekje, waar hij niet komt, geen blaadje dat hij vergeet, geen kleinste plantje, grasje, of hij weet het nog te vinden, want alles immers beweegt en beweegt tegelijk, en de hangende rode ranken schuifelen over de hoge grijze muur, als bewoog ze een hand aan de andere kant, in de andere tuin.
Ja, ze komt, ze is er al! Oh... taartjes, groot en boterig en vers, vol room en confituur. Het grootste heeft Grootvader al uit de doos gekozen, dat wacht haar op haar schoteltje, een kopje koffie staat erbij, naast Grootvaders plaats. Jaap Halberstadt zit al grappen te vertellen. Hij weet er altijd, waar hoort hij ze toch? Wel, overal... op de vismarkt, op het sjoelplein, zo maar
97