Jaap Halberstadt volgt haar niet dadelijk de kamer uit, hij moet eerst zijn neus nog even snuiten. In de loofhut zit Grootvader te lezen, zijn bril op het puntje van zijn neus, zijn ogen lijken dichtgevallen boven de uitgespreide krant, tante Roos maakt stoofappelen schoon, zoete veëntjes, je kent ze aan de reuk. Ze schrikken allebei en trekken zich precies tegelijk de brillen van de neus. Is ze tante Heintje misgelopen, was tante Heintje niet aan de boot, is ze helemaal alleen gekomen?
Wel neen... wel neen, maar tante Heintje had immers nog de poelier een standje te geven en heeft haar toen alleen vooruit laten gaan. En kan Grootvader raden wie ze juist om de hoek is tegengekomen? Daar is hij al... hij moest zijn neus even snuiten. Vreemd... hij ziet eruit of hij plotseling kou heeft gevat. Brandt er eigenlijk een kacheltje of is al die warmte van de zon? Hoe kan tante Roos dan zeggen dat het hier tocht? Nu ook niet, met dit heerlijke weer. Allereerst natuurlijk de loofhut bekijken. Laatst op school vergeleek de meester een loofhut met een prieel. Maar het lijkt er niet op. Een loofhut is een huisje, een planken vloer dekt de tuingrond af, er ligt een kleedje, waar stoelen op staan en een tafel, die witgedekt blijft, acht dagen lang, en waar je eet en drinkt. O, die fonkelende rode ranken, die hebben ze dus ook ditmaal weer mogen oogsten van de hoge schutting? Stevig met de bovenrand van groen tezamen gevlochten, hangen ze als een franje van de ingang neer. En zijn dat allemaal hun eigen dahlia's? Die koddige, dik
96