mistige wei, met een kermen om bang van te worden? En geen mens dorst erheen, op Grootvader na, die een jongen was en alles dorst... en wat stond er in die wei? Een geit, die zich zijn eigen touw om de hals had gesnoerd en bijna gesmoord was en nog nauwelijks geluid kon geven. En het hele dorp op de been en de een al benauwder en beveriger dan de ander! Ja, nietwaar, mijnheer Jaap Halberstadt, dat Grootvader alles dorst? Vechten met kerels zo goed als een kind uit de donkere, diepe sluiskolk redden. Dan ook nog de beste op school. En allemaal de baas en in alles haantje-vooruit, en nog altijd, zegt tante Heintje, is Jaap Halberstadt voor Grootvader een beetje bang, nu ze toch allebei over de zeventig zijn. Daar kijkt ze hem schuin-uit eens even op aan, nu ze na het bellen samen wachten op de stoep.
O, lekker ruikt het in huis, naar fruit, naar zoet gebak, naar groentesoep, maar wat is de achterkamer donker en wat voelt het er koel. Dat doet de loofhut, de Sokkoh, die onderschept het licht, maar dat komt hem toe, de Sokkoh gaat voor, zolang het Sokkoth is. 'Kijk, mijnheer Jaap Halberstadt... vindt u ook niet Grootvaders oude huisje alweer bleker geworden sinds verleden jaar?'
Ze staan nu samen voor het portretje tegen de donkere muur... Jaap Halberstadt heeft blijkbaar op dat angstige verbleken, dat dreigende terugtrekken naar... naar niets... nooit eerder zo gelet.
'Verleden jaar zag je nog duidelijk het broodmandje van de bakker in zijn kromme arm.'
95