helemaal onverwacht, iemand tegenkomt, die je nooit anders dan 'Jaap' hebt horen noemen! Lachend wacht hij, zijn hand naar haar uitgestoken en ze moet nu wel naar hem toe. Dat kost moeite... je hebt van die ogenblikken, dat je jezelf als lood voelt, of als plotseling vastgeschroefd in de aarde, of tegengehouden als met handen, zoals nu, tegen die schutting aan, in de zön, in die notenreuk van vochtig loof, in die vluchten van gouden vogels. Maar hoe vroeg moet Jaap Halberstadt wel uit zijn dorp zijn gegaan om nu al hier te wezen! 'Of logeert u misschien over Jomtof in de stad?' Misgeraden. Hij woont in de stad, sinds een maand, met zijn vrouw, maar zijn vrouw is slecht ter been, bij hun pasgetrouwde jongste zoon. Hoe prettig voor hen, hoe gezellig, hoeveel beter dan met zijn beiden, oudjes, alleen! Daar is ze nu helemaal warm van geworden! En nu komt hij zó vaak bij Grootvader, dat het de oude tijd wel lijkt... behalve dan natuurlijk dat ze nu allebei over de zeventig zijn, Grootvader één jaar meer dan hij. Verder is het de oude tijd... de oude tijd, en de oude dag... en ze voelt aan zijn hand die de hare houdt dat hij schudt van de lach en hij slingert aan haar arm om haar ook aan het lachen te maken en kijkt haar aan, of ze al lacht. Hij heeft nog maar één tand in zijn mond.
Gisteren toevallig nog, vertelt hij, hebben ze tante Heintje met het spook geplaagd. Kent ze die geschiedenis, heeft ze die ooit gehoord? Verbeeld je van neen! Het witte spook dat zo angstaanjagend bewoog in de
94