En nu gaat ze, en is het helemaal of ze erbij hoort, niemand ziet haar als vreemde, als over het water gekomen, tussen de mensen die. hier wonen, waarvan er geen is, die niet iets draagt -, pakjes, zakjes, een grote tas... allemaal de handen vol, allemaal druk en blij. Maar over de brug neemt dat een eind... de laanachtige brede straat is deftig en niet heel druk, er is geen enkele winkel, je ziet er geen enkele kar. In de bomen lijken wel dezelfde grote goudgele peren te hangen, dat zijn natuurlijk gouden tussen de groene bladeren. Maar het tussendaggevoel gaat om haar voort, het is ook hier, omdat in bijna al die hoge, voorname huizen, met hun glanzende diepliggende deuren en hun deftige ramen mensen wonen, die van Sokkoth weten. Ja, ze moeten nodig praten, op school, dat Joden geen echte rijkelui kunnen zijn! En deze dan? Zie je soms ergens mooier kanten gordijnen of prachtiger pronkdingen aan het raam... en dan de gouden zilveren, kristallen fonkelingen van spiegels, kronen, lijsten in het kamerdonker.
Grootvaders straatje ligt aan de zonkant en zelf dus helemaal in de zon... en het is zo'n bijzonder, zo'n aardig, zo'n helemaal niet stads straatje, het leidt naar een verborgen grachtje toe, en donker ligt daar het pontje, als je over wilt, en niemand komt er die er niet wezen moet en wie zouden dat moeten zijn, waar maar vijf witte huizen staan met gele deuren en geen enkel winkelraam?
Daarom is het er ook zo zindelijk en zo stil en de gele en half groene bladeren liggen er rustig, net zoals ze
92