zowat in het zonnetje rond, ze gaan meestentijds bij tweeën... naar elkaar toegebogen lijken ze elkaar vrolijke geheimpjes in het oor te fluisteren... maar van die andere twee is het meer of ze elkaar ernstig in vertrouwen nemen, de ene praat, de andere knikt in het luisteren. Het heeft ervan of ze óp wat rondom gebeurt niet letten, maar ze moeten wel alles zien, want ze lopen nergens tegenaan... kijk, die vrolijke twee bleken kennissen van die ernstige twee... en nu staan ze alle vier bij elkaar!
Geen wonder, zegt tante Heintje, en ze moet erom lachen^ ze horen immers allemaal thuis in hetzelfde Gesticht!
Tante Heintje is klaar, maar kan niet verder met haar mee. Ze heeft plotseling bedacht, dat ze nog eerst de poelier een standje moet gaan geven, die haar op Jom-tof met de soepkip heeft gefopt. Zou ze alleen de weg kunnen vinden naar Grootvader toe? Maar natuurlijk! De brug immers over, en een plantsoentje door en dan loopt de brede straat de laagte in en ben je al heel gauw bij een klein, stil straatje aan je rechterhand... Je kunt je niet vergissen, er staan maar vier, vijf huizen, allemaal eender en allemaal aan dezelfde kant, al de rest is tuinschutting van het grote huis op de hoek en aan de overkant niets dan de hoge muren van een gesticht. Is het niet zo? Het is zo, tante Heintje knikt, ze mag alleen. Waar al die zware gele ganzen hangen en al die vette, blanke kippen liggen, daar moet tante Heintje zijn, daar woont de poelier en tante hoeft zich nu nergens te haasten.
91