kaar te kennen, niemand loopt hard, want niemand heeft haast,... al de vreugde van de Jomtof, maar zonder de gebondenheid, al de vrijheid van de weekdag maar zonder de schrielheid en de zorg... zo zijn die heerlijke tussendagen van het Sokkoth-feest. Mensen wriemelen rondom de karren, bij de twee dikke notenvrouwen staat iedereen een ogenblik stil. Het is ook wel een aardig gezicht, telkens zo'n tintelend-blanke noot uit de donkere bolster te zien lichten, als er het scherpe mes een keep in gegeven heeft. Maar hun handen, zegt tante Heintje, die krijgen ze de hele winter niet meer schoon! Ze praten alle twee aan één stuk door... ze hebben alle twee dezelfde rommelige stemmen, je moet maar aannemen dat ze in gesprek zijn, maar ze kijken elkaar niet aan, ze moeten letten op haar mes, het is gevaarlijk werk... en nu is het net of elk zo maar voor zich uit zit te zeuren. Ze kan er op haar gemak naar kijken, tante Heintje moet peren en druiven kopen en is nog lang niet aan de beurt... en ze staat in de zon, en zo is het nu net, als hoorde ze er helemaal bij.
Zonder ophouden kletteren noten in de platte manden neer, de lege bolsters worden afgedankt. Mijnheer Prijs eet geen nieuwe noten, vóór het 'Hosjangno Rabbo' is geweest, dan zijn de zware sjoeldiensten achter de rug, dan wordt er niet zoveel meer van de keel gevergd, ook zonder de gele velletjes schijnen nieuwe noten verkeerd voor de keel te zijn! Daar lopen ook de oude heertjes weer, met de blauwe jassen en de platte hoge hoeden, die wandelen maar
9°