En nu stappen ze de stad in en ze gaan de stad door naar Grootvader toe, dwars door de stad, maar niet door de stad van de strakke, kalme mensen, die op straat geen mond opendoen, van de koele, gesloten, deftige winkels, neen, die stad laten ze achter zich en nog even, en ze zijn in de andere stad! Hier is het feest van tussendagsgevoel in septemberzon. Huizen en klokketorens en bruggen en water, ze liggen er allemaal middenin en de mensen gaan erdoor, het is een zon die geen hitte geeft, maar enkel licht, warm licht, dat je draagt, dat je tilt, dat je tintelend doordringt, tot alles aan je lijkt te zingen van zaligheid. De mensen lachen, blij, vriendelijk elkaar gestemd in de vreugde van het tussendagsgevoel. Ze mogen immers alles en ze hoeven niets, ze rijden en roken en werken maar zo wat voor de leus, de winkels lijken enkel voor de gezelligheid open te staan, omdat het anders zo dood zou wezen. Wat heel andere winkels toch dan ginds, een beetje donker, een beetje rommelig, een beetje stoffig en slof, dat geeft er juist iets gezelligs aan. Maar de karren... o, neen, dat is niet enkel gezellig, dat is prachtig! Die ene... een hobbelige heuvel van zware, donkere druiventrossen rijst uit een krans van grote gouden peren op... en dat onder de zon... zodat je ־ in de buitenste druiven de wijn ziet tintelen. Knoesten zijn het van druiventrossen, de koopman houdt er een bij de steel voor zich uit en hij buigt zelfs niet om... Zal dat vriendelijke oude heertje hem nu kopen? Ja, hij koopt.
Iedereen heeft tijd, iedereen lacht, iedereen lijkt el
89