gebrand, dat er een schoenwinkel staat, waar hun tuintje was... en als je dan denkt dat dit dus het laatste is van Grootvaders huis... en dat het elk jaar bleker wordt... de man die ernaast staat heeft al haast geen gezicht meer... het is de bakker, hij bracht juist brood... en ook van die man bestaat niets anders meer, hij zóu dan ook trouwens over de honderd moeten zijn... van de bloempotten voor het raam bleven niets over dan gelige veegjes, en alles Iaat van elkander los, er vallen witte plekjes tussen, en alles is bleek en vaag en ijl... en wordt al bleker, vager, ijler... en eenmaal zal het helemaal verdwenen zijn, en dan pas zul je met recht kunnen zeggen dat Grootvaders oude huisje niet meer bestaat... Maar vandaag zal ze het nog zien en niet ineens de achterkamer doorlopen naar de tuin en de loofhut toe, maar eerst er even voor stil blijven staan. Het mandje dat de bakker in zijn kromme arm tegen zich aan houdt, was verleden jaar nog juist te zien.
Dat is er dus ook... En dan is er... dan is er... maar in hoe woelige en rumoerige wateren is gaandeweg de boot komen varen!
Zwarte vrachtboten en vette olieboten en lijzige vletten en vlugge jollen, die zwenken zich overal doorheen. Datzelfde water... ligt nu bij 'polder 7' als door dunne dampen heen te glanzen onder de zon. Maar wie wuift daar van beneden op de steiger vooruit en omhoog naar hun boot? Het is tante Heintje, het is gelukkig de dikke, gulle, jolige tante Heintje en niet de strenge, vrome, magere tante Roos.
88