Ho jo, ho jo, de wind steekt op...
Ze stond tegen de leuning, de koperen stang trilde in haar handen, langs haar buik en ze zong, zo zacht dat niemand kon horen... en leefde de zomer... en zweeg... en voelde dat ze het loslaten moest, en het week terug naar waar de dingen die voorbij zijn, verdwijnen, of schijnen te verdwijnen, zou je eerder moeten zeggen, want:
Ho jo, ho jo, de wind steekt op... >
En daar komt het weer aan, en zwelt als een knop en die breekt voor haar open... en de hele zomer met zijn lichten en zijn geuren en zijn ruimten, en zijn vreugden, zat in die knop!
Toen nam de boot zijn grote zwenk het glanzende water over en trilde tot in zijn diepten, van de inspanning, en de weg week zijdelings uit achter het water, met het korte laantje én het donkere grint en het zo-mervakantiegevoel... en dat kan ze nu niet meer grijpen, want waar ze nu op uitziet, daar heeft ze nooit gelopen, daar heeft ze niets gelaten, dat kan haar dus ook niets geven...
Ze heeft de stang dan nu maar losgelaten en is gaan zitten, en met een tevreden zucht keert ze zich opnieuw naar al het heerlijke dat van heden is en dat ze losliet, toen de boot langs 'polder 7' voer —, en als had ze in haar handen geklapt om het tot zich te roepen, zo huppelt het nu op haar af en stoot en dringt
84