gras, tussen de rozerood-gestreepte winden, de gele ka-neelbloemen, aan het zwemmen van de jongens, en aan het zomer-vakantie-gevoel. Maar 'denken' betekent niets, met 'denken' kom je tot het echte, tot het beste, toch niet nader, met 'denken' kun je de wereld, die om je is, niet sluiten, want daarvoor is die immers zelf te machtig en te mooi! De lispelingen in de bonte boompjes... het water dat onder dunne dampen te glanzen ligt... de donkere verlaten weg... met die ene man achter die ene koe.
En toch verlangde ze, daarmee tegelijk, het zomervakantie-gevoel... Toen wist ze het ineens: haar tovermacht!
Wat zongen de jongens, dansend in de brede, glinsterende waaier-golven die de boot over ze sloeg? Wat zongen ze, wat was het?
Ho jo, ho jo, de wind steekt op...
En het verscheen! de honig-zoetheid, de kaneelstre-ling van de wollig-donzen gele bloemen... en nog van alles meer, waaraan je niet 'denken' kunt, omdat 'denken' zo weinig beduidt, en dat dus ook nooit een naam kan krijgen, maar dat je in je voelt, eerst zolang het er is, en dan, zolang je zingt... en al het vlammende licht, het witte en het blauwe vlammende licht, het hele zomer-vakantie-gevoel, dat tegelijk een volheid en een luchtigheid is... en dat je allemaal samen, als in één ademhaling, tot je in kunt laten komen:
83