Dansend in de golven van de boot, dat witte vuren pijlen van hun lijven schoten, zongen de jongens het liedje dat ze vóór de vakantie leerden:
Ho jo... ho jo... de wind steekt op! Hoe geurt de adem der berkenspruit Wat waait het vrolijk uit lieflijk zuid...
En terwijl haar het water zijn koelte woei in het gezicht, brandde haar de zomerse hitte uit de polder tegen de nek, en het witte grint schoot licht naar de blauwe hemel op, het knarste onder schoenen en klompen... in de vakantie staat de weg bij 'polder 7' niet stil.
Nu is het september, bijna oktober. Donker van vocht ligt het grint en het loof van de bomen kan niet meer drogen, het wordt al bont, en lispelt aanhoudend, ook zonder wind, door de vochtigheid. Uit de polders welt nu geen hitte meer, de akkers liggen er onder dampen, op het gele koren volgde de blauwgroene kool, ook het water glanst als door dunne dampen heen. Geuren van honig en kaneel gingen in vochtigheid teloor, leeg en verlaten volgt de weg het water een wagen draaft naar de overzet, een man drijft een koe voor zich uit, de polder in, maar nergens is een kind te zien. De kinderen zitten op school. Het is een week-se dag, het is in de morgen. Ieder, behalve zij, is in school. Zij alleen voer de oever langs en zag het alles aan en dacht aan de zomer en aan de hitte, aan het gloeiende lichtschietende grint, aan het zitten in het
82