en 'paal 24' is de laatste van de lange rij, die langs de haven staat, kort en scheef en zwart, met dikke, witte koppen... de laatste drie staan een heel eind buiten de laan, naast de kale witte weg tussen het gras dat nog hoger is dan zij, precies in de bocht. En nergens, zeggen de jongens, zwem je zo lekker als daar. Wel te begrijpen. Het water spoelt uit alle wijdten, de zon komt onbelemmerd naar je toe, daar aan de overkant geen huizen meer zijn, de boot maakt nergens zulke lange, zware golven. De jongens staan er in te dansen en schreeuwen van heerlijkheid en lopen ze tegemoet, de waaierende, glinsterende golven, die uitspatten tot op het gras, tot waar je met je breikous zit! Ze glanzen in het licht, ze schieten stralen bij het dansen, en lachen om de angst, die haar handen doet krampen... Wordt dan de boot naar de verte kleiner, zodat het riet al minder heftig zwaait, volgt op de laatste, eindelijk, niet meer een nieuwe golf, dan gaat die kramp weer voorbij, en ze neemt haar kous weer op en telt de naadjes, maar altijd met een oog naar het water, om ze te roepen als ze te ver willen gaan. Al kan ze niet zwemmen, ze acht ze pas veilig als ze bij ze is, en ze past op hun kleren en o, ze mag zelf ook zo graag bij 'polder 7' zitten, het water wijkt er zo wijd voor je ogen, er bloeien een winden, nergens zo veel, roze en rozerood, en wollig-donzen gele bloemen, die geuren als honing en als kaneel... van de havenkant ruik je het verse hout, je hoort de bruine balken in het water ploffen, je hoort het knarsen van de ketting, het roepen van de mannen, die ze lossen en tot vlotten vormen...
81