blauwe meer, het witte huis, de donkere cipressen, het meisje dat zich uit het bootje glijden liet, de eenzame meeuw, die plotseling kwam aangewiekt met zo klaaglijk geschreeuw.
Ze kon het laten komen en gaan, ze liet het komen en gaan: zingend, zag ze het, voelde het, leefde het —, opgehouden met zingen, trok het af, als achter een matglazen deur, als achter een dicht gordijn. En nu kent ze het tovermiddel... nu kan ze zingend wat toen werd gezongen, of wat toen werd gehoord, de lang vergeten dingen en de ver-verleden dingen en de diep verzonken dingen, en de bijna verloren dingen, en de verbleekte en verkleurde dingen, zo vaak ze wil en zo duidelijk ze wil, te voorschijn trekken, ze weet wel zelf niet waaruit... en hierbij kan toch geen 'denken' halen, het ergens-aan-denken, waarbij het echte, juist het echte en het beste verborgen blijft, achter de matglazen deur, het dichte gordijn.
Nu kent ze het middel״, om alles wat je eens bezat, voor altijd te behouden.
En even geleden... de boot voer heel dicht de oever langs, altijd nadert hij op deze plek bijna de oever, en neemt dan zijn zwaai en zwenkt in machtige, wijde boog het glanzend water over... ze stond tegen de borstwering, met haar rug naar de mensen op het dek, met haar handen om de koperen stang, die in haar handen trilde, en ze zag de plek, waar ze zó vaak in de zomervakantie, nu al een maand voorbij, met haar breikous in het gras heeft gezeten. De plek heet eigenlijk: 'polder 7' maar zij zeggen altijd: 'paal 24',
80