den in het blauwe meer uit het bootje glijden liet en het water neemt haar op, het opent zich, en voor het zich boven haar weer sluit, ziet ze nog eenmaal de cipressen en het stille, witte huis aan de oever... ze was verloofd, maar haar verloofde kreeg haar zuster lief en ze heeft hun geluk niet in de weg willen staan!... en dan sluit zich het water, boven haar, voor altijd, en alles is weer stil, eenzaam drijft het lege bootje voort, een witte meeuw komt klaaglijk schreeuwend aangevlogen en scheert het water, of hij zocht. Dagen heeft het geduurd, eer ze na dat boek een ander wou lezen, omdat ze immers wist, dat ze dan toch het oude vergeet, al lijkt het van tevoren onmogelijk... er schijnt toch eigenlijk niet veel tegelijk in jezelf te kunnen gebeuren, je schijnt toch ook in gedachten maar op één plek tegelijk te kunnen zijn... Ze ging er toe over, maar het nieuwe boek bleek vervelend, de mensen zeiden laffe, stomme dingen, alles was even onmogelijk en saai... toen op een avond in bed begon ze zelf dat zachte, smachtende lied te neuriën:
Met mijne mandoline
Die met mij weent en lacht Breng ik mijn Euphrosine Een teder goedenacht.
En ze zag de zangers onder de lispelende olm, de zilverige zomeravondhemel boven hen, boven haar, boven allemaal die luisterend stonden rondom... en daaruit te voorschijn opende zich die tweede wereld: het
79