In dat schoon Hyppodroom, Van Weduwe Egmond en Zoon Rijdt men op een levend paard Dat is wel een kwartje waard.
En daar zag ze weer de grijze rivier met het grauwe ijs, en ze hoorde het grimmige geluid van de schotsen. die elkaar besprongen, en de kermende vrouw: 'O... verkocht en vermoord op die grote plantage...' totdat de jongen niet langer zong, en toen verdween het weer achter het dichte gordijn.
Zomer was het en fluisteren deed alles, van matheid, in de rust van de avond, toen de lange blinde liedjeszanger en zijn magere, kleine, bleke vrouw tegenover hun huis onder de olm kwamen staan en begonnen te zingen... hij zong met zijn gezicht en zijn mond naar de bleekzilveren hemel, en zij met haar ogen neer en uit haar fijn getuite mond kwam haar stem als een dunne, zilveren draad... en ze zongen een zo zachte en smachtende wijs, dat het was of er van binnen met handen in je werd gewoeld en je zelf niet wist, wat je wilde... dat het altijd zo door mocht gaan... of dat er heel gauw een eind aan mocht komen...
Met mijne mandoline
Die met mij weent en lacht Breng ik mijn Euphrosine Een teder goedenacht.
Die dag had ze gelezen van het meisje, dat zich mid-
78