hooggeschouderde kerk uit naar zich toe te halen van de stad, die vóór de duinen staat — want als je die zien kunt, mag je pas van een verre wandeling spreken — en het was lente, en je ging voor het eerst zonder mantel, je hoofd en je lijf overgegeven aan de wind en de toekomst heette: Zomer!... en toen zongen ze niet langer, het liedje was uit... én geen graslucht meer, geen lente meer, geen ruimte en licht, geen warm verlangen naar de zomertoekomst... er was de somberte en het sommetjes maken,... als had zich een deur gesloten... O neen, zo niet, niet iets dat zo dicht is en zo afsluit als een deur... want je kunt eraan blijven denken... Maar wat betekent dat eigenlijk weinig, als je enkel aan iets denken kunt... kijken lijkt het door een dichtgeweven gordijn, zó weinig als je onderscheidt, en meer is denken niet...
Later, toen het kermis was, had ze De Negerhut uit de stadsbibliotheek en leefde aanhoudend, hoewel niemand het aan haar zag, in het leven van die mensen, en leed de pijnen van het onrecht, dag en nacht, ook als ze over de kermis liep. En er stond een man voor. het grote paardenspel, die zwaaide een zweepje en wiebelde op zijn voeten, voorover en achterover en zong met wijd open mond:
In dat schoon Hyppodroom Van Weduwe Egmond en Zoon Rijdt men op een levend paard Dat is wel een kwartje waard.
76