In een bootje ging ik varen En mijn zusje nam ik mee...
Dan kende hij verder de woorden niet en neuriede maar alleen de wijs. En van jezelf wist je nauwelijks of je ernaar luisterde of niet.
Tot veel later in het jaar, die lente lang al dood, en _ de zomer, die volgde, gevloden, en de vakantie voorbij, een donkere middag in school. Het was al ver in de herfst, de winter in zicht, en wat zou de school je weer hebben benauwd, en het sommetjes maken in die somberte, zonder de jagende wolken om door de ramen met je ogen te volgen langs de hemel, zonder de wind, om naar te luisteren, hoe hij om de muren floot, razend aan de takken rukte, daar kwam het ineens over de gang uit de hoogste klas, waar ze toen nog niet zat, maar nu wel, dat zelfde liedje:
Ik ging op zek're dag aan het varen, Over de diepe, wijde zee. In een bootje ging ik varen, En mijn zusje nam ik mee...
En haar griffel rolde uit haar vingers over de lei tot de onderrand en stokstijf zat ze voor zich uit... want daar rook ze onverwacht de reuk van gras, dat nog moest komen en liep in de wind en in de zon hoog langs de dijk en keek naar onder in de zwarte akkers en de blinkende sloten neer... en zond haar ogen als verspieders, verlangende de verschieten in, om er de
75